Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoog en fijntjes verkondde van zeer verre een wakker haantje, dat de nacht geëindigd was.

Ik hoop, dacht Mia, dat de haan van Brecht hem niet hoort; hij heeft altijd zoo'n behoefte onmiddellijk te antwoorden en hij klaroent me al te heftig, 't Zou anders een prachtige demonstratie van het schoolversje, zijn: 't Brave haantje kukeleku-üu, vlak bij. . . . kukeleku -üu, heel in de verte.

Ze dacht terug aan haar kinderachtige boosheid om dat liedje.

Wat kon ik weinig verdragen, philosopheerde ze, ik was een kind, dat niets begreep van de wereld en niets van de menschen.

Maar nu ... . nü . . . . o, maar ik weet toch wel wat meer, ik begrijp meer .... drie maanden kunnen je ouder maken dan een heel jaar, waar je onbewogen doorheen glijdt.

Eens had ze een illusie .... samen te wonen, heel haar leven met Ruut in het verstopte Huuske. Wat had Lucie ook gezegd?

Op een goeden dag zou er een ridder komen Maar

ze kende geen ridders in deze streken, niemand dan Teunis, Bels en den Bruur.Nuhad ze een ander ontmoet een vierde ....

— Ach onzin, zei Mia, ik word nog heelemaal romantisch van dien tocht door den nacht; ik ga slapen. Ze bleef toch nog lang en helder wakker en ze dacht aan de partij in den winter, toen ze zoo snibbig en ongelukkig geweest was. Waarom ook weer? Naar wat verlangde ze toch in die dagen? .... O, ja, naar een

Sluiten