Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De voorkant en de ingang van de tent

waren versierd met groene slingers en om het gereedliggend hout voor 't feestvuur was een mosbank gemaakt, waarvan als kostbare Perzische tapijten de bont gestreepte slaapzakken afhingen.

Reinoud ten Voorde beheerde de theetafel en weigerde resoluut zich door een van de meisjes te laten helpen: „Nee, jullie zijn gasten en wij zijn kampeerders — onafhankelijk en van alle markten thuis."

Het was een grootsch festijn.

Nico Bleijenberg, Hans van Weel en Jan Rekx tooverden bord na bord vol koekjes, beschuitjes, moppen, pinda's en pruimen uit de tent te voorschijn, zoodat Ruut smeekte: „Laat nu eens even niets doorgaan, mijn schoteltje stroomt over van al het lekkers." — Maar hebben meisjes dan nooit honger? Dat komt, omdat jullie onder een dak slaapt en niet in den vrijen buiten, zei ten Voorde.

Hier Johannes, geef mij die kruidmoppen nog

eens Driekes dan toch wat zit je te suffen,

Diederick!

Hoe heet hij toch, vroeg Lucie aan van Weel, hij met die honderd namen?

Rekx?.... Jo, Johannes, Jan Rekx. Maar hier noemen we hem Driekes. Hij beweert, dat hij uit deze streek afkomstig is, dat een van de oude kasteelen door zijn voorvader is gebouwd — Graaf Diederick — een machtig heer, die op een blinkend ros te vuur en te zwaard te keer ging tegen andere Heeren op andere kasteelen en natuurlijk allen versloeg.

Sluiten