Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Werkelijk? vroeg Mia, ineens blij om dat voorvaderlijk ros, dat hoorde bij den ridder, die naast haar zat.

— Opsnijërij, zei ten Voorde. Alle boerenpummels heeten hier Driekes, hij ook, Driekes Jan, hóórige van den machtigen Heer. Later hebben ze den naam omgedraaid en toen de familie tot welstand gekomen was, namen ze er een klinkenden achternaam bij „Rekx" en ze gaven den voornaam Jan Driekes wat zwier — toen werd het Johan Diederick.

— Hoe was 't nu eigenlijk? Hoe moeten we je nu noemen?

— Zeg hier maar Driekes.

— Bah! vond Mia.

— Maar hij voélt zich Driekes; noem hem als 't je belieft niet anders; hij is ongenietbaar, sinds we hier zijn. We hadden door Overijsel willen gaan, Twente, de Vecht langs, dan naar Giethoorn en door Drente en hij wil niet weg. Hij voelt zich ineens vol voorvaderlijk Achterhoeksch bloed, hij heeft al zijn plannen voor Engeland, Amerika, wereld-conferenties, eventueele professoraten opgegeven, hij heeft nog maar één begeerte: Plattelands-dominee, om in het land zijner vaderen geestelijk te herwinnen, wat materieel verloren is gegaan. Hij stapt in elk gehucht van zijn fiets, om de kerk en de pastorie te inspecteeren en aan eiken ouden, verdroogden koster vraagt hij, wanneer zijn dominee emeritaat denkt te nemen. Als hij zelf niet de bezitter van deze grandiooze tent was, waren we er allang zonder hem vandoor gegaan.

Maar het trage boerenbloed, waarvan hij zich hier

Sluiten