Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een verschrikt en stuntelig het bosch weer in en lachte.

— Sar! schold ze.

Het werd toch Dinsdag en alle feestjurken — door Lucie dienzelfden morgen uitgestreken — lagen gespreid op de bedden en alle schoenen — door Mia gepoetst en gewreven—stonden in een rij op debalustrade. Ruut had om bijtijds van de partij te zijn het laatste handwerkuur op 's morgens acht gezet en om vier uur was de thee gezet onder de cosy en een schaal veelsoortige sandwiches stond gereed voor altijd hongerige jongensmagen.

Pietje en Polleke — de feestkleeren beschermd door vuurroode morsschorten — liepen als twee blozende klaprozen door den tuin.

En iedere minuut gluurde Mia onder het aankleeden door 't bovenraam, of er toch niet iets schemerde door het dichte loof, dat het boschpad bijna geheel afsloot. . . . . half vijf, uiterlijk .... het was kwart navier .... Toen klingelde er een fietsbel, dichtbij al.

En meteen, terwijl ze het koord van haar jurk nog strikte op de trap, rende Mia op vlugge voeten naar beneden.

— Hallo! riep Ruut vroolijk van het terrasje, terwijl ze haar fiets tegen de balustrade zette, mooi op tijd hè? Mia bleef op den drempel staan en haar gezicht verstrakte.

— O, zei ze mat, ben jij 't?

— Ja, sprak Ruut en ook uit haar oogen trok de glans weg, ik ben 't maar.

Sluiten