Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meisjes zaten dadelijk achter groote koppen koffie met krentenbrood en taart en tulband en Mia streek Duitsche en Schotsche polka's, mazurka's en walsen. En omdat werkelijk geen enkele jongeling Lucie en Ruut van de smalle houten bank verloste, dansten ze samen, zooals ze dat vroeger deden op de schoolfeesten.

— Mia ziet bleek, zei Lucie. Zou ze zich het wegblijven van de jongens aantrekken? Geloof je, dat ze hield van Rekx?

-Ja.

— Ja, hè? En hij van haar. Ik begrijp dan niet, zei ze peinzend, waarom hij niet is terug gekomen. Hij was toch geen flirt jongen. Och, en Mia was hier zoo gelukkig; onuitstaanbaar zou het zijn, als nu zoo'n jongen weer de rust van zoo'n goeden tijd verstoord had.

— O, maar je weet toch niet ....

Moeder Bergman wenkte hen aan den kant: „Of ze dan noew dat stukkien wilden opvuren; alles was in de hooibarg bi'j mekander ezet."

— Ze heeft zich altijd uitgesloofd om Hollandsch tegen ons te spreken, nu is ze heelemaal boerin, zei Lucie. Kom kinders, gauw!

Ze werkten Polleke en Pietje in de haverschooven; Lucie repeteerde nog snel het samenspraakje van zinnen voor Pol en kleine woordjes voor Pietje, Ruut

— boven op een stapel hooi — liet de roggeschoof over Mia's stokstijve lichaam zakken: „Handen omhoog, Marietje en hou je maar goed; je zult het benauwd genoeg hebben onder die malle vermomming, maar 't

Sluiten