Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hè, nu wilde ik toch maar, dat Rietie kwam 'k Heb het er met die gladde weg niets op begrepen, die kleine meid alleen op de fiets!" zegt mevrouw bezorgd.

„Ze is toch niet alleen, mams! Er zijn wel kinderen, die nog veel verder wonen dan zij, maar .... uw hart kan gerust zijn, daar komt ze aan! O, wat ziet ze er uit!"

Mevrouw Van Waerden is al opgestaan en gaat haar jongste dochtertje tegemoet.

„Kindje, wat ben je nat!"

„O moeder ,'t is zo vuil buiten. Op sommige plaatsen rijd je gewoon door het water en 'k ben 'n paar maal helemaal ondergespat."

„Kom maar gauw hier bij de haard zitten, dan is alle leed zó weer vergeten!"

„Zo, moet Doekeitje weer verwend worden door mammie?" spot Lucie.

„O, moeder, ik vind het niets erg! 'k Zit er lekker warm in! Dan moet u die arme kinderen van Mulder zien! Die hebben haast geen kleren aan en die kousen .... allemaal gat!" zegt Rietie.

„Ja, meiske, je hebt gelijk, dan moeten wij maar niet klagen, hè?"

„Nu, voor die arme kinderen wordt toch ook gezorgd. Ze krijgen warm eten van verschillende verenigingen en dan.... ze krijgen kleren van de Zondagsschool en u haalt toch ook iedere maand geld op bij de mensen voor de armen!" meent Lucie.

„Och kind, dat allemaal is nog maar zo weinig," zegt mevrouw zuchtend, maar Lucie gaat er strijdlustig tegen in.

„Hoeveel kolen hebt u verleden week niet kunnen laten rondbrengen en dan al die kleren ....!"

„Och, kindje, maar dat helpt zo weinig. Hoeveel verstoken wij elke winter niet! Je kunt toch best be-

i 1

Sluiten