Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in overvloed en als Lucie wat erg branieachtig vertelde van haar wederwaardigheden op school en langs de weg, van die akelige jongens, die 't altijd op haar gemunt hadden, dan bleek het wel, dat Rietie gelijk had, dat vader overal om lachte, zelfs al keek moeder soms minder vriendelijk bij die bravourstukjes van haar dochter. Maar vader, ja, die lachte, vond het toch eigenlijk wel kranig, dat Lucie zo'n haantje de voorste was. Zelfs toen mevrouw, na een verhaal over 'n sneeuwoorlog, waarbij Lucie met veel ophef vertelde, dat ze zich niet op d'r kop had laten zitten, verontwaardigd opmerkte, dat ze toch geen jongen was, ja, toen lachte vader nog en beweerde hij, altijd graag 'n jongen te hebben gewild.

Maar als ze na tafel gezellig rond de haard zitten en het gesprek weer op Vodden-Bet komt, dan krijgt Lucie weer gelijk en blijkt het, dat vader lang niet overal om lacht en ook wel boos kan worden.

Mijnheer Van Waerden vertelt, dat er met Nieuwjaarsdag een groot feest gegeven wordt door de geheelonthouders-vereniging; er komt een spreker en er zullen voordrachten gedaan worden, voor ruime traktatie wordt gezorgd en nu zijn allen druk met de uitnodigingen.

„Dan is Brands zeker ook van de partij ?" vraagt Lucie lachend.

„Ja," zucht mijnheer, „hij heeft me beloofd te komen, maar.... Gisteren is hij ook weer zo dronken geweest. Hij was op de fiets en kwam van de stad af. Bij het kasteel raakte hij zijn stuur kwijt en is in de gracht gesukkeld, 't Is 'n wonder, dat het niet erger afgelopen is, nu er nog ijs in de gracht ligt. Gelukkig zag mijnheer Hofstede het en die heeft hem gered!"

,,'k Wou, dat ik het gezien had .... hup .... hup .... pats in 't water!" zegt Lucie. Ze schatert als ze met wilde armbewegingen voorstelt, hoe het drama zich, volgens haar, afspeelde.

Sluiten