Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK 2.

IJS

Mijnheer Van Waerden had goed geraden met z'n weervoorspelling, 't Was gaan vriezen. De wind was in het oosten gaan zitten.

Dadelijk met de kerstdagen was het al begonnen: een heldere lucht en kei-harde wegen. Dat was prettig geweest, vooral voor de mensen, die zo ver van de kerk woonden. Ieder kon nu de heerlijke kerstboodschap gaan beluisteren, 't Was wel koud, maar och, dat gaf niet; je liep je wel warm. Voor de fietsers was het ook fijn; alle paadjes tussen de velden en door de bossen waren te berijden. Dat was 'n uitkomst, want voor de bewoners van de afgelegen boerderijtjes moet iedere fiets bij een kerkgang dubbele, soms driedubbele dienst doen, want broer Jan, die zelf 'n fiets heeft, neemt nog twee broertjes mee en de andere klimmen bij vader op, als vader moeder niet achterop moet hebbenen bij zulke vrachtjes mag de weg wel goed zijn.

Deze kerstdagen waren de wegen goed geweest, dank zij de vorst, en de kerken waren vol geweest. Geen plaatsje was onbezet gebleven! Wat kon je dat horen aan het zingen, 't Klonk zo vol! 't Was of er veel beter gezongen werd dan anders. Kwam dat door het vriendelijke winterzonnetje, dat zo speels die kleurige vlekken toverde op de witte muren? Kwam het, omdat alle mensen met zulke blijde gezichten luisterden naar het oude, zo bekende en toch zo wondermooie kerstevangelie ? Kwam het, omdat de dominee, bezield door het aandachtige gehoor, met zo'n innige ontroering de Bliide Boodschao bracht?

Sluiten