Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat ben ik wèl; trots en dankbaar ben ik. Als ik dit levenslustige stelletje zie en ik denk dan aan dat arme kind op m'n kantoor laatst.... ,geen mins kan het....' Gelijk heeft ze: geen mens kan het, maar bij God zijn alle dingen mogelijk ...."

„Zou zo'n kind nu ook nog van het ijs profiteren?" vraagt mevrouw.

„O ja, maak je daar maar geen zorgen over! Die heeft evengoed 'n kaart als onze meisjes; daar zal ze zelf wel voor gezorgd hebben, 't Geld voor de huishouding pakt ze ook als de gelegenheid gunstig is en haar vader nergens begrip van heeft."

„Vreselijk, hé! Je rilt bij de gedachte aan zo'n opvoeding. Is daar nu niets aan te doen?"

„Nee, heel weinig. Die vader komt niet met de politie in aanraking en mishandelen doet hij de kinderen niet, tenminste, daar komen geen klachten over."

„Laten we straks eens naar de baan gaan; ik wou zo graag de kinderen eens zien rijden!" stelt mevrouw voor.

„Goed, als je dan zorgt, over een uurtje 'n kop thee voor me te hebben, dan ben ik van de partij, 'k Moet eerst nog naar kantoor en laten we dan onze schaatsen meenemen en samen 'n paar baantjes rijden."

„Och, 't is wel drie jaar geleden, dat ik schaatsen onder gehad heb," zegt mevrouw.

„O, dat is niets. Je zult eens zien, hoe goed het nog gaat. Nu, tot straks!"

Vóór mevrouw meerdere bedenkingen kan opperen, is mijnheer al in de garage verdwenen; de deuren vliegen open, de motor slaat aan en lachend en wuivend rijdt mijnheer z'n vrouw voorbij. Lang voor het uur om is, hoort mevrouw de auto weer terug komen. Haastig drinkt mijnheer 'n kop thee en even later zitten beiden in de wagen, eveneens op weg naar de ijsbaan.

Sluiten