Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds in de verte zien ze de talrijke vlaggetjes vrolijk wapperen en een bonte menigte, oud en jong, arm en rijk, krioelt er dooreen.

Mijnheer en mevrouw Van Waerden worden aan de controle eerbiedig gegroet. Iedereen kent hen en iedereen weet, dat er nooit een arme ongetroost van hun villa wordt weggestuurd. Geen wonder, dat overal hoeden en petten afgaan, als zij voorbij komen, 'n Ogenblik kijken ze met belangstelling naar al die mensen, die daar kringelend krioelen, ze luisteren naar dat eigenaardige, krassende geluid, veroorzaakt door die honderden schaatsen. Dan wordt ondergebonden en met gekruiste armen, naast elkaar, glijden ze de baan op.

„Nu gaan we eerst Lucie en Rietie zoeken!" stelt mijnheer voor. Maar op 't zelfde ogenblik klinkt 'n luid „hallo" achter hen. 't Is Rietie, die haar ouders komt begroeten.

„Waar is Lucie ?" vraagt mevrouw.

„Die was zo pas nog hier, ze zal direct wel weer voorbij komen! Rijdt u straks ook 'n baantje met mij, moeder?"

„Goed!" antwoordt mijnheer. „Zoek jij Lucie op, dan rijd ik met haar!"

„Heerlijk ijs, hè!" zegt Rietie. „Alleen op die banen daar mogen we niet rijden; die zijn voor de wedstrijden van morgen."

't Wordt 'n prettig middagje voor de familie Van Waerden. 't Ijs is in geen jaren zo mooi geweest en 't rijden valt mevrouw zo mee. De pijn in haar voeten, die zij na de eerste baantjes voelde, is geheel overgegaan en ze ziet met voldoening, hoe keurig haar meisjes rijden. Lucie is zelfs een van de uitblinkers en als ze haar, zo licht als 'n veertje, in een losse, elegante houding, voort ziet glijden, dan zwelt haar moederhart vol trots.

Sluiten