Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de beurt was. Ze moest maar wat naar de kleintjes gaan staan kijken! En toen de oproep over de hele baan weerklonk: meisjes en jongens onder de twaalf jaar hierheen komen, en de kleintjes zich met hoogrode kleurtjes naar hun plaats spoedden en de vaders en moeders zich langs de lijntjes opstelden, toen zocht ook de vriendinnenschaar een plaatsje tussen die ouders, maar de spanning van de dingen, die komen gingen, zat hen te veel in de benen en ze konden niet anders, dan even wat rondrijden; nee, niet hard. Ze Zouden wel zo verstandig zijn zich niet nodeloos te vermoeien! Bij ieder hoera-geroep schrokken ze toch wel op en dachten aan straks, als dat „hoera" hen zou gelden, of misschien degene waarmee ze kampen moesten; de spanning werd er niet minder van.

Daar ontdekten ze Vodden-Bet tussen de mensen langs 't lijntje. Ze zag er potsierlijk uit. Een oude rok had ze met een niet bijpassende kleur stof versteld, 't Leek wel of ze schoenen van haar vader aan had. Een dikke schipperstrui completeerde haar toilet.

„Kijk dat spook!" riepen de vriendinnen als uit één mond.

„Zie je die schoenen?" .... „Moet je die rok zien!" „Kijk ze gek doen!" .... „Wat 'n raar kind!"

Ieder wist 'n hatelijkheid te verzinnen.

Maar „dat malle wicht" had afleiding, genoot van het kampen der kleintjes, die ze met allerlei vreemde uitroepen aanmoedigde. Ze dacht niet aan de wedstrijd, die ze straks zelf moest rijden, zodat ze niet half overstuur was, als ze zou moeten beginnen.

„Stel je voor, dat ze meedoet aan de wedstrijd!" schrikt Lucie.

„Welnee!" meent Jo. „Hoe zou ze aan twee kwartjes komen?"

„Dat kun je nooit weten, want ze snoept ook altijd!" zegt Lucie.

Sluiten