Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Allemaal gaatjes!" zegt ze en zet met trots de zeef voor mevrouw Bertels neer, die de wanhoop nabij is. Ze weet niet, of ze boos moet worden of het maar van de grappige kant moet bekijken. Haar medelijden met de arme stakker krijgt echter de overhand.

„Ja, 't zijn allemaal wel gaatjes, maar ik moet toch wat anders hebben. Hier, ik zal het op 'n briefje schrijven. Dat geef je dan maar aan de juffrouw; die weet dan wel, wat ik hebben moet!"

Welgemoed stapt Betje voor de derde maal op de fiets en ditmaal brengt ze het gewenste voorwerp^ mee.

,/t Zijn zukke aorige mevrouwen in die winkel," vertelt ze. „Ze lachten zo vriendelijk teugen mien en ze vroegen of ik het buskruut gevonden ha, maor 'k ha niks niet zien liggen! Je mag het niet houwen, as je wat vindt," vervolgt ze. „Dat hèt de meester gezeid op de Zondagsschool, da's stelen!"

„Maar dat zou je toch niet doen?" vraagt mevrouw.

„As 'k centen vin, houw ik ze, maor as 'k buskruut vin, geef ik 't an de mevrouwen in de winkel!"

„Maar centen mag je ook niet houden! Alles, alles wat je vindt, moet je teruggeven!" onderwijst mevrouw.

Maar Betje komt daar heftig tegenop.

„Da's geen waor!" zegt ze. ,,'k Had 'n groot stuk sukkela gevonden met 'n mooi papierke d'r um, en had gezien, dat de mevrouw het verloren had; toen hè 'k 't gauw teruggebrocht, want 't wier helegaar zacht in m'n hand en toen zeit ze: ,Hè jij dat gevonden ? Houd het dan maor en eet 't maor lekker op!' Echt waor!"

„Maar je had het toch eerst teruggebracht, dat was flink van je!" prijst mevrouw. „Dat moet je altijd

eerst doen!" tt

„Mot ik nog meer boodschappen doen?" vraagt Betje opeens gedienstig, bang dat ze vertellen moet, wat ze méér gevonden heeft en niet teruggebracht; dan

Sluiten