Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leerd heeft en mijnheer, ditmaal geheel vertederd, vraagt, of de meester het niet prachtig gevonden heeft.

„Nou, hij lachte zo!" vertelde Betje. „En al de kinderen lachten ook, maar die kregen brommen. Ze mochten me niet uitlachen, zei de meester, maar dat kon me niks schelen. Ze lachen Vodden-Bet altijd uit, maar 'k vind het niks erg!"

„Je bent nu toch geen Vodden-Bet meer!" zegt mevrouw.

„Nee, 'k heb nou mooie kleren an en 'k bin schoon!" Zegt ze vol trots.

„Weet je wat?" stelt mevrouw voor. „Je moest de Bijbelboeken voor ons ook eens opzeggen, dan krijg je van mij een tablet chocolade, 'k Vind het zo flink van je, dat je al die moeilijke namen zo goed geleerd hebt!"

„Dan kriegt Johan de helft, want die het ze mien geleerd," zegt ze blij en meteen begint ze.

Maar na de eerste drie zit Willy, die niet durft te lachen, met haar hele zakdoek in haar mond en Johan moet telkens iets zoeken onder de tafel. Mijnheer en mevrouw kijken telkens elkaar aan, mevrouw glimlacht, maar de trekken in mijnheers gelaat worden al strakker en strakker en als ze bij „Maleachi" komt, zegt mijnheer, die merkt, met een ongepaste grap van Johan te doen te hebben, omdat Betje overal de klemtoon verkeerd legt:

„Dat is best; houd maar op!.... Flink hoor! Doe zo altijd maar je best; je hoeft de chocolade niet met Johan te delen, die koopt, uit z'n eigen spaarpot, morgen nog net zo'n stuk voor je, omdat hij het zo enig vindt, dat je het zó prachtig opzegt, juist zoals hij het je geleerd heeft."

Met kennersoog beziet Johan het tablet en hij berekent, dat z'n „grapje" hem minstens een kwartje kost. Ofschoon hij zijn gezicht in een geweldig ernstige

Sluiten