Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze laat Betje in de kamer, geeft haar een stoel en vindt dan, dat ze zich. nu voldoende van haar taak gekweten heeft. Ze laat zich in een fauteuil neerploffen en kijkt verveeld naar buiten, 't Blijft even stil, tot Betje de stilte verbreekt met de vraag „of de mevrouw nog schik het van de pries".

,,'k Ben geen mevrouw!" zegt Lucie minachtend!

Maar dat gaat boven Betjes verstand. Zij noemt alles mevrouw, wat mooie kleren aan heeft.

Weer is het stil, maar dan is het Lucie, die een vraag stelt:

„Je vader zit in de gevangenis, hè?"

„Jao! 'k Bid elke aovend, of ie d'r weer uut mag komen en ok bid ik dat-ie dan niet meer zuupen zal."

„Zo, ben je vroom geworden?"

„Dat wit 'k neet, wa da is, maor dat bidden het mien mevrouw me geleerd. Dat motten we allemaol doen, het mevrouw gezeid; anders is God boos op ons, maar .... de mevrouw bidt toch zeker ók ?"

Kom nu, Lucie, geef nu antwoord. Zit nu niet te denken, hoe je dit gesprek kunt afleiden.

„Ik mot altied zo veule bidden, want ik wil altied van die lilleke dingen doen, die neet maggen .... en dan doe ik ze ook neet!" vervolgt Betje.

„En als je vader nu niet uit de gevangenis komt!" veronderstelt Lucie.

„Dat kan ök best," zegt Betje, „want vaoder hep zoveule kwaad gedaon, maor as-ie terugkumt, zal ik vragen, of hij ök bidden wil, dan duut-ie ök gin kwaod meer ...."

O, wat voelt Lucie zich onbehaaglijk! Nu heeft ze met haar lelijke vraag dat kind eigenlijk een schop willen geven en weer krijgt ze van dat idiote wurm een lesje in „de liefde, die de meeste is".

't Is, of ze weer hoort 't: „Hedde pien?" van toen op de ijsbaan.

Sluiten