Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lucie beweert niets gedaan te hebben, maar mijnheer wenkt met z'n hand en het beschuldigde drietal verdwijnt in de gang, dadelijk gevolgd door mijnheer Olen.

In het kamertje wordt hun een verhoor afgenomen.

„Wat was dat, Henk?"

„Ik gooide een prop papier tegen 't bord, mijnheer!"

„En jij, Piet?"

„Ik zei, dat we ezels van Bileam waren!"

„Zo, enne .... wat deed jij, Lucie?"

„Ik deed niets, mijnheer!"

„Nee mijnheer, zij deed niets!" vallen de anderen bij.

„Zwijg! Wacht, tot je wat gevraagd wordt!" zegt mijnheer nijdig en tot Lucie: „Waarom noemde mijnheer dan je naam?"

„Dat weet ik niet!" zegt Lucie hooghartig. „Ik zat naar buiten te kijken en hoorde wel, dat het zo'n lawaai was, maar dat is het altijd als mijnheer Verschoor les geeft. Ik deed niet mee en keek naar de meidoorn, die bijna in bloei staat. Ik vroeg of ik een boeket mocht plukken, om in de school te zetten en toen begon mijnheer te schelden!"

„Wat zei mijnheer dan?"

„Ezel, houd je mond en ik zei, dat ezels niet praten kunnen. Toen riep Piet, dat wij ezels van Bileam waren!"

„O, jullie noemen mijnheer Verschoor geloof ik ,Bileam'!" zegt mijnheer. „Nu, dan zijn het nogal geen erge dingen! Ja, gooien met een prop papier, dat mag natuurlijk niet in school, en dat Piet zich en zijn makkers voor ezels van Bileam houdt, getuigt misschien van zelfkennis. Dat antwoord van Lucie was wel goed, je hebt gelijk: ezels praten niet. Weet je, wat we zullen doen? Bepaal zelf je straf maar."

,,'k Zou niet weten, waarom ik straf zou krijgen!" Zegt Lucie en Henk schat z'n worp op tien strafsommen.

Sluiten