Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen. Die vraag, die zo onschuldig lijkt, was een misdaad. Ook voor het gezegde van Piet ben je aansprakelijk. Ik zal er melding van maken aan je vader ... ga naar je klas."

Koud en ongevoelig gaat Lucie het kamertje uit.

„Nu jij nog, Henk. Jij gaat mijnheer Verschoor vragen, hoeveel sommen je maken moet; zeg maar: minstens tien!"

Hiermee is de geschiedenis voor de school afgelopen, maar 's avonds komt mijnheer Olen bij Lucie thuis. Lang spreken de beide heren en mevrouw Van Waerden samen, dan gaat mijnheer Olen weg en moet Lucie komen.

Zij ziet haar moeder zitten met tranen in de ogen en haar vader .... hij spreekt zo zacht en er klinkt zo'n diepe ontroering in z'n stem.

„Meisje, hoe kun je toch zo doen? .... Wat hebben de mensen je toch gedaan ? Eerst was het die ontzettende vraag aan dat onnozele meisje en nu weer zo'n schijnbaar onschuldige vraag, waarvan je heel goed wist, hoe diep je er mee griefde .... Kind .... wat is dat toch? Hoe kun je zo je knieën buigen? .... Willen we samen eens lezen?"

En mijnheer leest uit Jacobus het derde hoofdstuk. Dan buigen zij hun hoofden en vouwen de handen en in een innig gebed stort mijnheer zijn hart uit, zo bang voor 't welzijn van zijn kind.

Zwijgend staat Lucie na 't gebed op en zwijgend kust ze vluchtig haar ouders welterusten.

Boven laat ze zich gekleed op haar bed vallen, maar ze stort geen tranen van berouw.

Ze voelt zich gegriefd, dat ze bij alles doorzien wordt. Ze weet wel, hoe verkeerd ze doet, maar ze voelt geen lust zich te veranderen, 't Laat haar koud, wat de mensen van haar denken en ze denkt aan die preek, die ze hoorde over Ismaël: „Zijn hand tegen allen en de hand

Sluiten