Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze de Zondagsschoolboekjes kan lezen en die begrijpt Ze ook. Ze leeft er helemaal in mee, zó, dat ze soms begint te schateren, als er iets leuks in staat. Maar ook kan ze hartbrekend beginnen te huilen als het droevig is. Heeft ze een boek met zo'n droevig stukje, dan leest ze het wel tien maal over en even zo dikwijls barst Ze telkens weer in snikken uit. Zo heeft ze een boekje van Johan gekregen, waarin een verhaaltje staat: „De Eerste", 't Is van een jongetje, dat met z'n vader de nieuwe begraafplaats gaat bezoeken, die over enkele dagen in gebruik zal worden genomen. Het jongentje vraagt z'n vader, wie hier het eerste begraven zal worden en somt wat oude mensen op. Ook noemt hij een vrouw, die hij heeft horen zeggen: „Was ik maar dood." Die moet het dan maar zijn, vindt hij. Vader antwoordt, dat het zal zijn, dien God roept. Dan, stilletjes, achter vaders rug, doet hij een gebedje en vraagt den Heere, of het toch maar geen van thuis mag zijn en de meester ook niet. Ze komen thuis en Bas wordt de volgende dag ziek. 'n Keelziekte — erge benauwdheden — hij sterft en .... wordt begraven op de nieuwe begraafplaats; z'n zusje snikt hartstochtelijk: „Arme Bas, alleen op dat grote kale kerkhof!" En vader loopt in de tuin en mompelt: „Dien God roept ♦ ♦.. o, Bas, o, Bas!"

Hoe dikwijls ze dat gelezen heeft.... en telkens huilde ze dat er geen troosten aan was. Toen heeft mevrouw het opgeborgen, omdat ze zich zo van streek maakte.

Over 't geheel is mevrouw wel tevreden over de vorderingen, die Betje maakt. Van dat rekenen vindt ze niets erg, want als ze boodschappen moet doen, weet ze zich aardig te redden en komt ze steeds goed uit met haar geld. Dat is per slot van rekening toch maar hoofdzaak en dus zullen ze doorgaan; mevrouw noch Johan geven de moed op.

Sluiten