Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijnheer en Johan klaagden over het eten. De ene keer was het niet gaar, een andere keer weer aangebrand, dan was het zout vergeten, dan weer was het Zo zout, dat het haarde in de keel. Ook gebeurde het nogal eens, dat Johan, als hij in z'n bed wilde stappen, tot de ontdekking kwam, dat het nog niet opgemaakt was en dat het vuile water er nog stond.

't Hele huis vervuilde, meende mijnheer en ook de dokter kwam met klachten. De zieke had geen rust genoeg, bemoeide zich veel te veel met de huishouding en kreeg haar verzorging niet.

Hij raadde aan, een flinke dienstbode te nemen, aan wie mevrouw alles met gerustheid kon overlaten. Hij drukte mijnheer Bertels ernstig op het hart, er zo gauw mogelijk werk van te maken, anders liep het met de patiënte mis. Eerst wilde mevrouw er niet van horen. Dan moest Betje weg en dat vond ze iets verschrikkelijks. Slaapplaatsen voor twee waren er niet.

Toen kwam mevrouw Van Waerden eens praten en die had een oplossing: 'n tijdelijke hulp; dan kon Betje wel als tweede meisje bij haar komen en als de zieke dan weer beter was, kon ze Betje altijd weer terugnemen.

Zo gebeurde het, dat Betje moest verhuizen naar de familie Van Waerden. Ze zou een aardig kamertje krijgen en met Anna zou ze het wel vinden.

Alles werd haar zo mooi mogelijk voorgesteld, maar Betje huilde tranen met tuiten, toen ze afscheid moest nemen. Wel troostte het haar, dat mevrouw Bertels haar uitdrukkelijk verzekerd had, dat ze terug mocht komen, als mevrouw weer beter was. Mijnheer had het ook gezegd, maar o, wat zag ze er vreselijk tegen op.

Mijnheer en mevrouw waren wel vriendelijk, dat wist ze, maar juffrouw Lucie deed altijd zo raar tegen haar; die was zo trots en dan was er nog een jonger

Sluiten