Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeg we rijden de Hoogstraat door, daar staan zulke snoezige jurken!" roepen ze haar toe.

Lucie wij feit.

,,'k Moet naar 't postkantoor, 'n Aangetekende!" roept ze terug en nu heeft ze 't land, dat ze zo bereidwillig geweest is.

„Dat kun je toch vanmiddag wel doen, voor schooltijd! Die brief gaat toch niet voor half drie weg!"

„Nu, vooruit dan!" En al bellende schieten ze de stad in.

Voor 'n groot modemagazijn worden de fietsen neergezet en de pracht-jurken in de nieuwe étalages bewonderd.

„Bespottelijk! Moet je zulke mouwen zien! Da's 'n beeldje .... Ik vind die blauwe zo'n snoesje ..."

„Als ik dat gekke ding daar aantrok, zou m'n vader me beslist tussen de erwten zetten!" meent Lies, „maar kom, kinderen, huiswaarts!"

Allen pakken hun fietsen en nu gaat de een hier, de ander daar heen. Lucie kijkt eens op haar horloge. Geen tijd meer voor het postkantoor; dan maar vroeg naar school.

„Wat ben je laat?" zegt mevrouw Van Waerden verwonderd, als Lucie binnenkomt.

„Ja, mams! Bij Berkhof staan zulke leuke jurken! Gaat U eens mee kijken? Schatjes gewoon!.... Maar kunnen we wat vroeg eten? Ik moet nog een boodschap doen voor mijnheer Olen!"

,,'t Eten is klaar! We kunnen beginnen. Op vader hoeven we niet te wachten, want die is de stad uit!"

„Hè, heerlijk! Russische eieren!" roept ze, als ze een blik op de tafel werpt. „Mama, laten we beginnen, ik heb zo weinig tijd!"

„We wachten even tot Rietie komt. Ik hoor ze, geloof ik, al."

„Dag moeder, dag Lucie! Is u al aan tafel? 'k Ben toch niet laat?"

Sluiten