Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zo,... Lucie van Waerden, geloof ik? Ga dan maar eens zitten. Feenstra, je kunt wel gaan!" gelast hij den agent.

Dodelijk bleek zit Lucie voor hem, haar lippen trillen.

„En vertel nu eens. Dat is een onaangename geschiedenis met die brief, hè .... Wat dacht je zelf ? ... Zou je hem verloren hebben ? Of zou hij gestolen zijn ?"

„Ik weet het niet!" snikt Lucie.

De inspecteur laat haar even kalm zitten en geeft haar een glas water.

„Hier, drink eens! Je moet je nu niet zo van streek maken. Hij zal best terecht komen! Wij zijn er óók nog."

Als ze wat bedaard is, moet Lucie alles nog eens duidelijk vertellen. Hij helpt haar op dreef.

„Je kreeg die brief, deed hem in je tas en ging je fiets halen .... Hield je die tas onder de arm, toen je de fiets pakte ?" tt

„Nee mijnheer, die had ik tegen de muur gezet.

„Wacht even!" .... De inspecteur tekent het aan. „Wie waren daar ook?"

„De jongens en meisjes van school!"

„Niemand anders?"

„Nee mijnheer!"

„Weet je dat zeker? Denk eens goed na!"

„Meestal staan er wel mensen te kijken, maar ik heb

er niet op gelet!"

„Stond je tas nog precies zo, toen je haar oppakte i

ttjci mijnheer!"

','Toen zijn jullie naar de winkel gegaan en heb je je fiets tegen de étalage gezet!"

„Ja mijnheer."

„Kan toen niemand er aangezeten hebben ?

Lucie haalt de schouders op.

„En daarna ben je naar huis gegaan, en heb je de fiets achter het huis neergezet, met de tas er op .... komt daar niemand?"

Sluiten