Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijnheer vertelt en Lucie schreit maar. Eerst veel later op de avond kan ze vertellen van die vreselijke tocht door de stad, naast den agent en van het gesprek met dien vreselijken man. Woord voor woord is haar bijgebleven en al zijn mijnheer en mevrouw verontwaardigd, ze moeten toegeven, dat de politie anders over zulke dingen moet denken dan gewone mensen.

De mededeling van haar vader, dat hij het geld reeds weer bij mijnheer Olen gebracht heeft, stemt Lucie heel wat rustiger. Maar later, op bed, komt dat ontzettend angstige weer bij haar boven, 't Is, of ze telkens de stem van dien agent hoort:

„Ik zeg maar, onder de rijken zijn d'r ook wel, die lange vingers hebben."

Ze gooit zich om en om. Haar haren kleven aan d'r voorhoofd. O, wat heeft ze een hoofdpijn ....

Dan stelt ze zich voor, hoe ze daar liep, naast dien agent, opgebracht als een misdadigster! Nooit, nóóit zal ze die ontzettende schande te boven komen.

Soms valt ze even in een lichte sluimering, maar dan schrikt ze plotseling met een schok wakker, en vliegt overeind en gilt van angst, 't Is weer de agent, dien ze hoort roepen: „Juffie, afstappen!"

Verschrikt komt haar moeder.

„Wat is er, meisje?"

Met grote angstogen ziet ze haar moeder aan. Die slaat de arm om haar heen en drukt haar stijf tegen zich aan.

„Stil nu maar! Ik ben bij je!"

,,'k Ben zo bang," fluistert Lucie.

„Neem 'n Akkertje; hier, drink er maar flink bij; zo, en nu lekker gaan liggen en slapen. Moeder blijft bij je. Er is immers niets gebeurd. Je hebt 'n brief verloren, welnu, de schade is vergoed, 't Is in orde!"

Lucie sluit haar ogen en mevrouw zit op de rand van het bed en houdt haar warme hand vast.

Sluiten