Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nee!"

„Vijftien jaar"! zegt mevrouw.

„Weet je iets van de brief?"

„Jao!"

„Vertel dan eens, wat je weet."

En nu gaan de sluizen van Betjes welsprekendheid open.

„'k Zal 's krek vertellen, hoe 't gegaan is. Ik sting voor 't raam in de bijkeuken te kieken en toen kwam er 'n jongen aan, zo'n schooier! Ie kiekt overal hèn ..." — en Betje laat zien, hoe de jongen de omtrek verkende en ze is een en al actie.

„Noe en toe gluupte ie naar de fies, pakte de tas en haalde d'r wat uit. Wat het was kos ik neet zien."

„Was het zo iets ?" vraagt de inspecteur en laat haar een verzegelde brief zien.

„Krek! Zó was 't!" verklaart Betje stellig. Ze bekijkt de lakken nauwkeuriger.

,,'t Binnen plaatjes," zegt ze en wijst naar de wapens, in het lak afgedrukt.

„En wat deed die jongen toen?"

„Nogal gaar!" lacht Betje. „Toen smeerde ie 'm!"

„Kun je ons vertellen, hoe die jongen er uitzag?"

„Best, want ik heb hem zelf gezien. Hij had klompen aan en 'n das om!"

„Anders niet?"

„Jao, ie liep zo vrèmd!" en Betje demonstreert, hoe de jongen liep.

„Welke kant ging hij uit ?"

„Diene kant!" wijst Betje.

Mijnheer en mevrouw Van Waerden en Lucie staan Betje met open mond aan te staren.

„Waarom heb je ons dat niet gezegd?" vraagt mevrouw en de inspecteur vraagt: „Kende je dien jongen ?"

Even wacht Betje en plukt verlegen aan haar schort. Dan zegt ze zacht: „Nee."

Sluiten