Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder tranen komt het er met horten en stoten uit:

„As 'k .... 't.... verraai, krieg ik ...."

„Zei die jongen dat tegen je?"

„Nee, maar dat doen ze altied .... toen Nelis mien vaoder verrajen had, hebben ze 'm halfdood geslagen en toen mos ik zeggen, dat-ie van 't dak gevallen was ...."

„Maar nu vertel je 't ons toch ook?" zegt de inspecteur.

„Da doo 'k veur de juffrouw, omdat die aars ziek worre V'

Agent Feenstra wrijft zich de handen. Dat wordt 'n mooi zaakje. Daar zal hij eer mee inleggen. Nou zal hij het wel gauw klaar spelen, 'n Jongen, die mank loopt, valt zo op .... die is zo goed als geknipt....

Ook de inspecteur is voldaan over 't verhoor en welgemoed nemen ze afscheid van de familie Van Waerden.

„Begrijp je nu zo'n kind," zegt mijnheer, „dat ze Zo iets maar kalmpjes voor zich houdt?"

„Och, die omgeving, waaruit ze komt! Alles hangt daar van misdaden aan elkaar!" zegt mevrouw.

„Ja, en ik geloof wel, dat een ,verrader' daar z'n loon ontvangt. De saamhorigheid, lees je altijd, grenst aan het ongelooflijke," zegt mijnheer hoofdschuddend.

„Nu, en ik geloof er niets van!" zegt Lucie.

„Och kom, kind, Betje is toch veel te dom om zo'n verhaal te verzinnen en als je nagaat, hoe keurig ze dien jongen nadeed .... Nee, dat is wel echt!"

Maar Lucie blijft bij haar oordeel, dat Betje comedie speelt en ze heeft een voorgevoel, dat er nog verschrikkelijke dingen zullen gebeuren.

Die agent Feenstra had maar niets gedaan dan haar strak aankijken.

's Middags, als Anna de tafel afneemt, begint mevrouw er met haar over.

„Begrijp je dat nu, dat het kind het zo lang stil gehouden heeft?" vraagt mevrouw.

Sluiten