Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p „Ik weet niet, wat ik er van denken moet," zegt Anna. „Ze loopt de hele tijd te schateren van 't lachen en ik zou trouwens ook niet weten, wanneer ze dien jongen gezien heeft, want ze is de keuken niet uit geweest !"

„Roep haar eens!" zegt mijnheer, die nu ook begint te twijfelen.

Bet je komt.

„Zeg Betje, heb je nu werkelijk dien jongen gezien ?" vraagt mijnheer.

„Nee!" zegt ze lachend.

„Nee?!.... Dus je hele verhaal was verzonnen?"

„Jao .... 'k hè ze maor wat wies gemaokt. Nou Zuken ze overalle en vinden niks!" zegt ze en ze schatert, als ze zich voorstelt, hoe mooi ze dien dikken Feenstra beetnam.

,/t Is zo'n sagrijn!" verklaart ze. „Ie het mien d'r wel drie keer angelapt!"

„Maar dan heb je de politie voorgelogen, kind!" zegt mijnheer verbaasd en ontsteld.

„Da's geen liegen!" meent Betje. „En ik dee 't toch um de juffrouw!"

„Dat is erg slecht van je!" zegt mevrouw. „Ga maar gauw naar de keuken!"

Betje haalt de schouders op en verdwijnt. Liegen tegen de politie is niet slecht. Je mot mekaar toch helpen, overdenkt ze.

,, k Zal de politie opbellen!" zegt mijnheer en een ogenblik later kijken de inspecteur en agent Feenstra, die juist van 't woonwagenkamp is teruggekeerd met 'n jongen, die mank loopt, elkaar verdwaasd aan.

Vooral agent Feenstra is woedend.

„Maar die weet er meer van en dat juffie vertrouw ik ook niet!" barst hij los. „Ik zou denken, we mosten daor eens 'n huiszoeking doen, inspecteur!" stelt hij voor.

De inspecteur loopt met grote passen heen en weer.

Sluiten