Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Laat dien jongen maar weer gaan!" zegt hij. „Ik Zal je wel laten roepen voor nadere orders."

„Jawel inspecteur.... maar ik zeg: een huiszoeking ...."

„Ja, ga maar!"

'n Half uur later wordt Feenstra weer geroepen.

„We moesten er toch maar even heen gaan," zegt de chef.

„Goed inspecteur! Ik zeg altijd maar: al hèt zo'n juffie 'n rijken vader ...."

„Ja, dat heeft allemaal niets met de zaak te maken: rijk of arm, daar heeft de politie niet naar te kijken."

„Dat zeg ik ook, inspecteur!"

Lucie zit voor 't raam, als ze de beide agenten ziet aankomen.

„Daar zijn ze al weer!" schrikt ze op.

„Wie?" vraagt mevrouw.

„De inspecteur van politie en die agent!"

„Wat zal er nu weer gebeuren?" denkt ze en haar hart klopt met haast hoorbare slagen.

Anna dient ze aan en mevrouw gaat hen in de hal tegemoet.

„Mevrouw, mogen we u nog eens lastig vallen?" vraagt de chef. „Ik wilde graag de beide meisjes nog eens ondervragen: die van vanmorgen, die ons dat mooie verhaaltje opdiste en uw dochtertje."

Mevrouw laat de politie in de kamer, waar Lucie al is en ze roept Betje.

Lucie wordt eerst verhoord. Ze moet nog eens vertellen, waar ze onder schooltijd overal geweest is en waarom ze het bos is ingegaan, 't Verhoor is voor haar erg pijnlijk, want de stem van den inspecteur klinkt scherp en bij al haar antwoorden doet hij wantrouwend, ongelovig! Ze staat zó te beven, dat mevrouw haar een stoel toeschuift.

En als de agent haar met z'n onaangename stem

Sluiten