Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woedend was-ie! „En waar is de haas?!" had hij hun toegebulderd, maar Betje had hem onnozel aangekeken. 'n Haas? Ze wist niks van een haas!

Nijdig was hij teruggegaan, om weer de wacht te gaan betrekken bij de gestrikte haas. Maar toen hij er langs kwam, was de haas verdwenen. Bart had 'm al lang thuis. Die Bart was me d'r een. „Erger was, dat-ie ook steelde!" vond Betje, want stelen was Zonde.

„Ja, maar stropen ook!" had Lucie beweerd, maar dat geloofde Betje niet. „De haas en de konienen waren van ielkeen — Bart zei altijd: ze vreten mien kool ook op."

Die verhalen van Betje maakten, dat Lucie niet steeds dacht over het noodlottige raadsel, dat nog altijd niet opgelost was. Ze waren ook allemaal zo goed voor haar. Hoeveel keer zou die arme mams niet de trap opgekomen zijn?

Ha, daar was ze weer! Opgewekt kwam mevrouw binnen en zette zich op de rand van het ledikant.

„En nu kom ik vragen, wat we voor de patiënte zullen klaar maken! Denk maar eens na, waar je trek in hebt," babbelt mevrouw en Lucie zegt:

„Zouden er al jonge haantjes zijn?"

„Jonge haantjes .... wacht, ik zal het Betje vragen, die zal het wel weten."

„Jonge haantjes?" zegt Betje, als mevrouw in de keuken vertelt, waar Lucie trek in heeft. „Jao, die hèt Bart de Braaier wel! Za 'k ze gaon haolen?"

„Graag!" zegt mevrouw en Betje is al weg.

Als 'n razende Roeland stuift Betje weg.

Langs allerlei smalle paadjes tussen de korenvelden door, komt ze waar ze gewoond heeft. Hun huis, voor Zover het tenminste op die naam aanspraak kan maken, staat nu leeg. 't Is een bouwvallige woning, getimmerd in de vorm van een boerderijtje, 'n Groot dak op lage

Sluiten