Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terse toe. „Dan zullen we moeten zoeken, of we het slachtoffer kunnen vinden."

Alle struiken worden doorzocht, maar zonder resultaat.

„Ze zullen haar toch niet in de beek gegooid hebben ?" veronderstelt één der agenten.

„Hier ligt ze!" roept Pieterse.

Haastig snellen allen toe en vinden Pieterse al geknield bij het meisje.

„Ze leeft nog!" zegt hij. „Maar ze hebben haar flink te pakken gehad. Haar kleren zijn nat. Ik denk, dat zij haar eerst mishandeld hebben en toen in de beek gegooid en dat ze nog juist genoeg kracht had, om er uit te kruipen, toen haar aanranders weg waren."

Een der agenten maakt z'n zakdoek nat en wast haar gezicht en polsen. Hij heeft verband bij zich en Zo goed en zo kwaad het gaat verbindt hij haar wonden.

Pieterse zoekt naar voorwerpen, die misschien opheldering kunnen geven, maar de stok blijft het enige wat ze vinden.

Voorzichtig nemen ze de gewonde op en dragen haar naar de auto. 't Kind is nog steeds bewusteloos.

Gelukkig is het een ruime wagen en ze leggen Betje op een paar plaids op de achterbank. De twee agenten gaan op de klapbankjes zitten en Pieterse blijft op z'n plaatsje voorin bij mijnheer Van Waerden.

„Wilt u haar naar 't ziekenhuis brengen?" vraagt Pieterse.

Maar mijnheer Van Waerden antwoordt, dat hij het beter vindt, haar in z'n eigen huis te verplegen, tenzij de dokter anders zal oordelen.

„Misschien valt het nog wel mee!" zegt hij hoopvol.

„Net zo u wilt!" zegt Pieterse. „Maar 't geeft 'n hele drukte en de ziekenhuizen zijn er voor!"

„Ik denk, dat ik mijn huisgenoten er geen plezier mee

Sluiten