Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en sloeg daarmee naar de twee verwante dames. Hij raakte ze echter niet, want ze trokken lafhartig haar hoofden terug. Maar toen ze 's avonds allemaal aan tafel zaten, begonnen de twee meisjes weer te giechelen en met de hand voor den mond fluisterden zij elkaar zachtjes, maar toch zoo, dat iedereen het goed hooren kon, toe: „Trotzli.... Trotzli.... Trotzli!"

Vader vond den nieuwen naam niet zoo kwaad — moeder had er heelemaal niets op tegen — en toen kon het den jongen ook niets schelen. Och ja, waar zou hij zich dik om maken? Frans en Frits en Max heeten ze allemaal. Waarom zou hij dan niet Trotzli heeten? Dat was weer eens wat nieuws en hij zou er voor zorgen, dat hij zijn nieuwen naam alle eer aandeed! En bij dit voornemen was het hem, zooals altijd, diepe ernst — ja, dat had hij van zijn moeder.

Den volgenden dag wist de heele klas het al — want als iets algemeen bekend moet worden, dan moet je het maar tegen je zusjes zeggen; en de opnieuw gedoopte werd met een krachtig spreekkoor ontvangen: „T-r-o-tz-l-i!" Bij het „tz" moesten ze allemaal niezen, en dat klopte als een bus.

Trotzli was eigenlijk trotsch op deze ontvangst, want hij kende zijn klas en hield wel van een lolletje.

Het was de zesde klas, al sinds jaren beroemd om haar zeldzamen ijver (dat wil zeggen: de ijver was er zeer zeldzaam) en iedere onderwijzer zong een „Te Deum", als hij de klas aan een volgenden collega kon afleveren. Het laatste afscheid had bij meester Zwirbel plaatsgehad. Ze moesten toen naar den anderen kant van de gang ver-

Sluiten