Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook Max kon, zooals de meeste rakkers, goed opstellen maken. En terwijl allen nog ijverig aan het werk waren, legde hij na een goed half uur schrijven zijn penhouder en schrift weg en begon toen de heele klas te ergeren, omdat ze naar zijn meening niet vlug genoeg opschoten. En het meest ergerde hij Trotzli, dien hij een „verwaande klasheilige" noemde.

Trotzli deed, of hij niets merkte, ofschoon zijn vingers begonnen te jeuken. Doch de gedachte aan de ski's en de eer deed hem zijn kalmte bewaren.

Nu haalde Max een echten zevenklapper voor den dag, die zeven keer kon knallen en een extra lange lont had; hij hield hem Trotzli onder zijn neus.

„Dat had je niet gedacht, hè? Vandaag wordt de carnaval ingeknald! Alsjeblief!"

Trotzli sloeg hem den zevenklapper uit de hand en wierp hem in een hoek. Maar Max had hem weer vliegensvlug te pakken.

„Doe toch niet zoo schijnheilig! Je kunt het niet uitstaan, omdat jij geen zevenklapper hebt!"

Trotzli zei nog altijd geen woord, maar er was niemand meer in de klas, die nog aan een opstel schreef. Max haalde als tweede zending een doosje lucifers uit zijn zak. Toen deed hij net, of hij den zevenklapper wou aansteken en uit het venster werpen. Nu was in Trotzli weer de oude rakker ontwaakt

„Opschepper!", brulde hij zijn buurman toe, „je durft

toch niet!"

„Nou, doe jij het dan, als je durft," hoonde Max, die er op loerde, om zijn doel te bereiken.

Sluiten