Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Trotzli moet met meneer Pastoor mee.

Vele menschen dachten, dat Trotzli de grootste kwajongen van Ergenshuizen was, dat hij alleen maar aan streken en deugnieterijen dacht, dat hij niets anders kon dan ravotten, den meester plagen en brullen als een leeuw, maar dat was toch niet heelemaal zoo. Iedere jongen heeft zoo zijn gevoelens, zijn stemmingen. Dat wist meester Lankmoedig en dat wist ook de pastoor, die den jeugdigen Trotzli door en door kende. En daarom had hij hem ook tot misdienaar uitverkoren.

De pastoor begreep zijn jongens. Buiten mochten ze spelen en stoeien, streken uithalen en bokkesprongen maken, zooveel ze maar wilden, maar.... in de sacristie en in de kerk moesten ze zich ordelijk gedragen. „Daar woont Onze Lieve Heer en Hij wil flinke, nette en gehoorzame jongens bij zich hebben! Gedraagt je daarom zooals het behoort!"

En een van deze jongens was Trotzli. Voor „buiten" bezat hij al de vereischte eigenschappen: hij was een frissche, vroolijke, ondernemende jongen, nu en dan had hij een flinke scheur in zijn broek, hij kon, als het moest, ook op zijn tanden bijten en hij woonde dicht bij de kerk.

Voor „binnen" echter had hij, naast de misdienaarseigenschappen, ook nog de bekende misdienaars-„deugden": hij wilde altijd het wierookvat hebben en bij het twisten had hij het al meer dan eens omgegooid; hij

Sluiten