Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verstond uitstekend de kunst om een „vreemden geestelijke" voor een ander zijn neus weg te kapen om zoo

het dubbeltje fooi in zijn zak te steken; hij kende precies de plaats, waar de pruimenboomen in den tuin van de pastorie stonden en hij wist drommels goed, wanneer de lekkere „lange luiten" rijp of eetbaar waren.

Maar ondanks dit alles — hij was misdienaar, en als hij de deur van de sacristie achter zich dicht deed, waren ook alle ondeugende gedachten weg — en wie hem aan het altaar zag zitten, zou hem werkelijk voor een modelkerel hebben gehouden: bij de Offerande keek hij bijna nooit stiekum naar het orgel of naar de meisjesbanken; hij knielde langzaam en netjes, zonder te wankelen; zijn „Amen kwam altijd eerder te vroeg dan heelemaal niet, en bij den Canon, als hij langen tijd niets te doen had, kon hij minutenlang ernstig en aandachtig naar het tabernakel of naar de Hostie kijken.... dan begon zijn popelend hart te gloeien van echte warme jongensliefde voor den goeden Jezus.

Een was er, die dat wel bemerkte en het ook wel wist; dat was meneer pastoor en daarom hield hij ook van Trotzli.

Op een vroegen morgen in April kwam moeder Trotzli om half vier al wekken. „Vooruit, jongen, uit de veeren! Je moet met meneer pastoor mee voor een bediening. De koster is ziek. Hup!"

Dat „Hup" was onnoodig. Want nauwelijks was moeder weer in haar kamer verdwenen, of Trotzli rende reeds de vier trappen af. Natuurlijk heel zacht.... om zijn zusjes niet wakker te maken. Jongens loopen immers altijd zacht!

Sluiten