Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rozenhoedje door rondom het hoofdaltaar en soms de kerk in tot aan de biechtstoelen. Natuurlijk fladderde de nachtvogel ook spoedig in Trotzli's hoofd en hersenen.

„Dat ellendige beest zou wel eens een kaars om kunnen gooien of zelfs in den biechtstoel kruipen.... dat kon je toch niet toestaan!"

„Natuurlijk niet!" zei Koos, die het wierookvat droeg, „vanavond wordt het roofdier gevangen. Dat is een heldendaad, want ten eerste zuiveren wij de kerk van een onwaardigen gast; ten tweede zorgen wij er voor, dat de menschen beter bidden; en ten derde is het een mooi beest voor de verzameling van onzen meester."

„.... en den heiligen Geest. Amen." Het rozenhoedje was uit. Precies 45 Wees gegroeten. Koos en Trotzli verdwenen in den toren om het Angelus te luiden en.... de jacht op het roofdier voor te bereiden. Ze wachtten sluw, tot de laatste juffer buiten was, sloten toen den toren af en slopen haastig naar de sacristie. De koster had hun den sleutel gegeven.

„Weet je wat?" zei Trotzli, „we jagen de vleermuis in de sacristie, daar is het niet zoo hoog en dan krijgen we hem vast en zeker."

Hij nam den wijwaterkwast en Koos den stofdoek. Zoo joegen ze achter het arme dier aan. De deur van de sacristie stond wagenwijd open. Trotzli voerde het commando:

„Koos, jij moet achter de deur gaan staan en als ze dan komt, geef ik jou een teeken, dan de deur dichtgooien"...

„Dicht! Dicht!" Ze was er al in.

Nu begon de jacht pas goed. Van het venster ging het

Sluiten