Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn droomende oogen.

Nog erger was het met Koos gesteld. Die had bij de jacht een echte verkoudheid opgedaan, hij lag te rillen en te dampen onder de dekens en veegde de koortsige zweetdruppels van zijn voorhoofd. Enkele keeren sloeg hij met de gebalde vuist tegen den muur en schreeuwde daarbij zoo hard hij kon: „Nou heb ik je!"... . maar hij had ze niet — ze zat immers in Trotzli's broekzak en be¬

leefde daar haar eersten gevangenisnacht!

Den volgenden morgen moest Koos in bed blijven en heete thee drinken. Hij was heelemaal niet lekker. — Maar Trotzli had helaas geen koorts en kwam vijf minuten voor het kleppen in de sacristie. Meneer pastoor stond in den hoek bij den wijwaterbak en zette een gebroken kannetje in elkaar. Vragend keek hij Trotzli aan: „Wie heeft dat gedaan?"....

„Dat heeft eh heeft Koos gisteren.... eh de

domper is naar beneden gevallen!"

„Waarheid?"....

„Echt waar, meneer pastoor! — hij kon er eigenlijk niets aan doen!"

Op dat oogenblik kwam Sep binnen, die tegen meneer

ancb waiiciuc w nu yuui t-i ju

droomende oogen.

Sluiten