Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De klok begon te bewegen, ze begon te luiden. „Als ie vlakbij de groote klok staat," had de koster al dikwijls gezegd, „dan scheurt het trommelvlies in je ooren" Trotzli moest er nog voorbij. Haastig sprong hij op de laatste trap en drukte zich langs de groote klok naar net bovenste laddertje.

„Boem — boem!" De electrische magneet heeft den epe Wlaten, en de klok zwaait nu met groote macht tot vlakbij het laddertje. Trotzli staat als aan den grond genageld. Hij kan niet meer voor- of achteruit. Hij heeft nog slechts een kleine ruimte voor zijn voeten en achter

nem staat de stellage, waari •• • «

aan nij zich vastklampt.

„Boem — boem!" Zijn ooren worden bijna stukgescheurd. Vlug steekt hij er een of ander propje in, dat hij in zijn broekzak vindt; hij beeft en siddert van doodsangst en gewetenswroeging. Dreigend zwaait de bronzen kolos telkens naar hem toe:

„Vermorzelen zal ik ie lafaard....!"

Trotzli staart met koortsige ooeen naar W clirïfT/a_

— «-» ^

rend gevaarte: „Ja, ik heb het verdiend — een lafaard ben ik - verpletter me!"

Dikke tranen rollen over zijn van angst vertrokken

machtig en zwaar, de groote

St. Damiaansklok....

Sluiten