Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijks anderhalven meter breed en van boven gewelfd waren. Tufsteen hing van de zoldering en nu en dan druppelde een ijskoude „burchttraan" op den natten bodem. Links en rechts waren openingen zonder deuren. Daarachter lagen eenzame, kelderachtige ruimten, waar hier en daar een schamel zonnestraaltje viel.

„Dat zullen vroeger de kerkers geweest zijn", dachten de jongens en slopen verder. Ze waren alle vijf een beetje bang, maar niemand wilde het weten. Doch als Koos met zijn spade per ongeluk tegen het gewelf stootte, sloeg de schrik hen allen om het hart. Trotzli was zelfs zoo erg geschrokken, dat hij zich reeds wilde afvragen, of de onderneming misschien toch een slechte, verboden daad was Doch juist toen hij deze gedachte wilde uitwerken, struikelde hij en zonk tot aan zijn knieën in een gat, dat plotseling onder zijn voeten gaapte. Reeds wilde hij een akte van berouw bidden en naar de beenen van den achter hem aankomenden makker grijpen, toen hij aan een verroesten rooster bleef hangen, die midden in de gang een dik luik bedekte.

Trotzli onderzocht de plaats met zijn zaklamp wat nauwkeuriger en de vijf schatgravers gaven elkaar een veelbeteekenenden blik.

„Werktuigen af!" commandeerde Trotzli met bevende stem. Ze deden het graag. „Rooster aanpakken!" — Zes handen grepen toe, alsof dit werk tot hun dagelijksche bezigheden behoorde. Waarachtig, de rooster bewoog, bewoog nog meer en.... opeens een ruk.... Trotzli, Koos en Frits lagen op hun rug — de rooster was weg.

Een gat van ongeveer een halve jongenslengte diep lag

Sluiten