Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lag de „Ringelnatter , waar het in den kelderbuik zoo spookte. Een lang zwijgen opende de zitting der helden. Eindelijk verbrak Trotzli de stilte: „Ik geloof, dat we een

stomme streek hebben uitgehaald!"

* *

Den volgenden dag zag men den koperslager Blechzange met zijn wagentje naar den burcht rijden. Toen hij terugkeerde, ging Trotzli naar hem toe, en om een goed smoesje te hebben, hielp hij hem zijn wagentje trekken.

„Heb je in het kasteel gewerkt?"

„Ja, de ketel van de verwarming was kapot, het klepje was niet goed gesloten — jammer voor den ouden man, want de halve kelder is onder water geloopen; jongen, dat had je eens moeten zien!"

Trotzli werd rood als bloed, maar de koperslager dacht, dat dat van het trekken kwam en bedankte den jongen vriendelijk voor zijn hulp.

Den ouden, hardhoorigen Heinz Schwibeli viel het nu op, dat Trotzli den laatsten tijd iederen vrijen middag op de Ringelnatter kwam helpen. Hij spitte den tuin om, poetste de ijzeren ridders in de groote zaal, veegde de trappen en sleepte emmers vol water aan. In het begin schudde Heinz wantrouwig het hoofd over dezen zonderlingcn ijver, maar toen was hij toch blij om den hulpvaardigen jongen.... en stiekem dacht hij: „Hij is toch niet zoo kwaad als hij eruitziet!"

Sluiten