Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Trotzli geneest „zatte Ludi".

Het rondspoken in den burcht „Ringelnatter" had den moed der Trotzlibende weer gesterkt. „Goede daden mogen gerust vroolijk zijn", filosofeerde Trotzli en hij zon al weer op nieuwe streken.

In Ergenshuizen stond een oude, bouwvallige molen. De mulder heette Weizenkorn en droeg den heelen dag een puntmuts op zijn bestoften kalen kletskop. De knecht van den mulder was echter nog veel bouwvalliger dan de molen, tenminste iederen Zondagavond, wanneer hij uit den „Gouden Ezel" kwam, want dan ging hij altijd in gezelschap van een onbekende, die hem hoeks en dwars den weg versperde, zoodat hij voortdurend zig-zag moest loopen. Dit feit was in heel Ergenshuizen algemeen bekend en daarom heette de molenaarsknecht al sinds jaren „Zatte Ludi". Zoo noemden hem de ouderen, en de jongeren hadden den naam van hen overgenomen.

Natuurlijk waren er altijd jongens, die den zatten Ludi op zijn zigzagtochten allerlei bijnamen toeriepen en hem vol leedvermaak volgden, in de verwachting, dat hij op een gegeven oogenblik wel ergens in een sloot zou belanden. Trotzli kneep zijn oogen ook niet dicht, als Ludi voorbijwaggelde, maar de bijnamen vond hij flauw en gemeen; want 's Maandags was Ludi weer een goeie kerel, die zelfs den grootsten kwajongen peren en pruimen uit

Sluiten