Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den molentuin gaf. En omdat Trotzli een echte perenliefhebber was en daarom op den armen Ludi niet kwaad kon worden, zocht hij naar een middel om hem volgens alle regels van de kunst van zijn kwaal te genezen....

De Zondag was zwoel en de zon heet geweest, zoodat alle mannenkelen door een hevigen dorst werden gekweld. De „Gouden Ezel" was propvol, en de mannen, die erin

zaten ook, vooral Ludi was zwaar geladen, want hij zat al voor zijn tiende glas. En ook dit was weldra in zijn onverzadigbaar keelgat verdwenen.

„Hé, Ludi, heb je 't dozijn nog niet vol?" plaagden de anderen, die ook weldra een zwembad in hun binnenste konden openen.

„Ka-ka-kalm aan..", stotterde Ludi, „k-k-k-komt nog wel!" Toen bracht de waard hem het elfde glas. De „Gou-

Ludi zat a. voor .ii„ tiende g.as. den Ezel" had een goeden

naam — het goud nam de herbergier en den ezel gaf hij aan de gasten.

Omdat het zoo'n heete dag was, was het „verplichte dozijn" al spoedig na zonsondergang bereikt. Ludi zette zich met behulp van tafels en stoelen in loodrechte houding, maakte langzaam rechtsomkeer en liep voorzichtig de stoep van de herberg af. Het verwonderde hem, dat

Sluiten