Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Twee keer struikelde hij en toen hij hijgend en snakkend op de bovenste trede aankwam, durfde hij de oogen niet meer opslaan. Als een waanzinnige liep hij met de handen om zich heen tastend vooruit. Doch midden op den zolder gekomen, gaf hij een schreeuw van ontzetting; want uit de kaf- en meelkisten waren weer twee geesten opgerezen, akelig en angstwekkend door een fel licht bestraald, en met hooivorken in de als vleugels klapwiekende handen. Zatte Ludi wilde op zijn knieën vallen en om genade en barmhartigheid smeeken; toen raakte

zijn voet in een spleet van den vloer — en boem, pats... daar lag hij languit in een meelkist. Het meel stoof naar alle kanten over den zolder en de arme Ludi lag met armen en beenen te spartelen in de lucht.

De schrik had bijna zijn hart verlamd, toen de verschrikkelijke geestenstem hem uit zijn versuffing wekte: „Zatte Ludi...., zinnelooze zatlap... denk aan het einde!.... Nog één keer zal je de tijd der

genade worden geschonken!"

„J-j-j-ja, ja, ja.... ik drink n-n-nooit meer, g-g-geen druppel, g-g-geen glas meer.... Maar n-n-niet doodgaan,

....Boem, pats! Daar lag hij languit in een meelkist.

Sluiten