Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n-n-niet stikken.... m-m-moooord!.... h-h-hulp!"

Toen zatte Ludi eindelijk uit zijn meelkist gekrabbeld was, waren alle spoken spoorloos verdwenen. Aan zijn hemd kleefde een brijachtige pap, want van zweet en doodsangst was hij kletsnat geworden. Moeizaam sleepte hij zich de laatste trappen op naar zijn kamertje en wierp zich toen als een zak op zijn bed.

Den volgenden morgen snorde Ludi als een dronken wesp in den molen rond. Hij zag bleek en zijn oogen stonden waterig in het nog half-versufte gezicht. Hij sloop naar de molenbeek en waschte daar wel een kwartier lang zijn kleverig hemd.

De mulder vond, dat Ludi die week veel vlijtiger aan den arbeid was dan anders, maar hij wist niet waarom. En toen het weer Zondag was, toen maakte Ludi, hoewel het verschrikkelijk heet en zwoel was, een grooten boog om den „Gouden Ezel".

Den heelen dag zat hij op de groene bank voor den molen en las verhaaltjes in een ouden almanak. In den namiddag riep de vrouw van den molenaar vanuit het venster van de woonkamer: „Hé, Ludi, wil je niet een glaasje most?"

Doch Ludi maakte een afwerend gebaar met zijn rechterhand, alsof hij muggen wilde verjagen en bromde: „Nee-nee-nee.... ikke niet — dank je wel!"

Een poosje later kwamen twee jongens den hoek om; doch geen van beiden zei: „Bonjour, zatte Ludi.... heb je geen dorst?" — ze hadden wel echte kwajongensgezichten, en een hunner riep: „Dag baas, dag mulder,...., warm hè?"

Sluiten