Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Héé, ho! Halt! Pas op!"

Het ongeluk was al gebeurd! Heel de vracht rolde over den grond en van den weeromstuit sloeg het wagentje ondersteboven. De jongens vroegen niet lang naar den schuldige. Trotzli stond krom van het lachen: „Ha-ha-ha, daar gaat ie!"

En Sep zat van de buikpijn op den grond en stikte bijna in de pret.

Het ongeluk was vlug verholpen; vijf minuten later was de troep weer reisvaardig.

Trotzli had in de krant gelezen, dat men den nationalen feestdag weer meer ziel en inhoud moest geven. Ja, zoo dacht hij er zelf ook over. Niet enkel maar vuurpijlen en zevenklappers en al zulk geknal en geknetter. Neen: Idee! Dat was iets vernuftigs. En aanstonds ging Trotzli op jacht naar de groote idee. Den volgenden avond vond hij haar reeds, en alweer in vaders krant, die hij den laatsten tijd steeds met den grootsten ijver verslond. Daar stond een lang vaderlandlievend artikel: „Zijn wij nog het land van vroeger? — Zijn wij nog het volk van vroeger? Leven wij nog in het stil-tevreden vaderlandsch geluk van vroeger? — Medeburgers, eedgenooten! Het antwoord geeft gij allen zelf; gij roept het in koor: Neen! Waarom dit neen? — Gij weet het allen: de crisis jaagt als een booze heks door het land; de crisis fluistert in alle ooren, dat men moet jammeren, klagen, schelden; de crisis verjaagt den vrede uit onze huizen; de crisis maakt van den gelukkigen burger een revolutionnair.... Daarom, medeburgers, — verbant deze heks uit het land, uit uw huis, uit uw hoofd — dan keert het

7

Sluiten