Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier was bijna ruzie gekomen. Er was namelijk nog een andere school en de jongens daarvan gooiden overal blikken busjes, papier en worstvelletjes rond. Toen ben ik kwaad geworden en heb zoo'n ezelskop eens de waarheid gezegd. Toen schoot hij woedend op mij af. Ik spuwde in mijn handen en een halve minuut later lag hij in de drie bronnen, die daar uit den grond komen. Dat was barok! Onze meester moest bij den anderen meester verontschuldiging aanbieden, maar toen moesten ze de blikjes en den anderen rommel toch oprapen.

Voor we weggingen, zijn we nog met z'n zessen onder de oude boomen gaan staan en hebben daar plechtig den Rütli-eed gezworen:

„Wij willen zijn een eensgezind volk van broeders, in geen nood of gevaar zullen wij van elkaar scheiden. Wij willen vrij zijn, zooals onze vaderen het waren, liever den dood, dan in knechtschap leven.

Wij zullen vertrouwen op den hoogsten God en niet vreezen voor de macht der menschen."

Daarbij waren Koos, Frits, Sep, Karei, Max en ik. Het was ons heilige ernst, wij hebben de handen ineengelegd en wij zullen den eed houden, als wij mannen zijn.

Toen het al donker begon te worden, voeren wij met de „Winkelried" naar Luzern. De zon hing als een roode lantaarn boven het water, en we waren allen moe. Als ik groot ben, maak ik mijn huwelijksreis over het Vierwaldstattermeer. Als dan mijn vrouw zegt: „Wenderfoel!",

roep ik heel hard: „O jèès!"

* *

\

Sluiten