Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij hebben niets," zei Trotzli, „maar als je zoo goed zou willen zijn.... eh.... we hadden graag wat appels

of peren of aardappelen of

worteltjes of noten

eh.... voor de arme gezinnen van Ergenshuizen".

De vrouw wist niet, of ze moest lachen of schelden en daarom zei ze eerst een keer of tien: „Of, of.. een pondje boter of een pot jam of een konijnenboutje!.... En de arme menschen, dat zijn jullie zelf zeker? Ja, ja, een fraaie beweging!"

„Neen, neen, het is echt waar," zei Koos, „wij meenen het echt, wij hebben

een Vincentiusvereeniging gesticht!"

Nu werd de boerin opeens stil en ernstig, ze keek de jongens vriendelijk aan en terwijl ze met een tip van haar schort even over haar wang streek, verdween ze weer in het huis.

„Ik geloof, dat we aan een goed adres zijn!" zei Max, die er nou ook plezier in begon te krijgen.

En jawel! Vijf minuten later kwam de boerin terug, achter haar Kathe, de meid, dan Mimi uit de derde klas en tenslotte de boer zelf en ze brachten: een half zakje vol appels, twee potten ingemaakte vruchten, een vaatje

.... Bij boer Geisen werd het eerst halt gehouden.

Sluiten