Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

open. Trotzli merkte, dat hij goed geraakt had en schoot verder: „Zie je, meneer de baas, daarginds in het boschwachtershuisje is een paar maanden geleden de vader gestorven en nou moet Bethli, die zelf nog een kind is, het heele armzalige huishouden door de wereld helpen! In het dorp woont het oude waschvrouwtje, dat de bibber in haar handen gekregen heeft en nou ook niet meer kan gaan werken.... En aan den anderen kant van het dorp huilen de zeven kleintjes van den schilder, omdat hun vader ook al drie weken zonder werk zit; en zoo zijn er een stuk of tien, die beven en rillen, als ze aan den komenden winter denken. En nou hebben wij onder mekaar gezegd: ,Zou het niet goed zijn, als wij die arme menschen eens wat hielpen?' Daarom zijn we nou hier, baas!"

„Een reuzekerel ben je — van wie ben jij er een? Hoe heet je?"

„Ik? — ik heet Trotzli, tenminste onder de jongens; mijn vader is Jozef Fröhlich, ginds in de Spitalstraat."

„O zoo — nou ja.... hm.... maar de vrouw is net niet thuis en Sep is met het paard weg, en de wagen

„Wij willen graag helpen, baas, als er iets te doen is. En we hebben zelf vier wagentjes meegebracht!"

„Sapperloot nog toe.... hm.... nou ja, dan zullen we maar eens in den kelder gaan kijken."

De boer ging voorop, heelemaal niet bijzonder vlug; de zes jongens achter hem aan, met groote, behoedzame

stappen en schalkachtige gezichten De kelder zag

eruit als een groote kruidenierswinkel: heele wanden vol inmaakglazen in alle kleuren, stapels kaasbollen tot aan den zolder, botertonnetjes, zoo dik als het buikje van den

Sluiten