Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hen een wolk opstoof, zooals eertijds achter de Israëlieten, toen ze uit Egypte vertrokken.

De wagentjes kraakten en kreunden, toen ze met den kostbaren last werden beladen. De boer stond in de huisdeur en wist zelf niet goed, of hij er spijt of plezier van moest hebben. Toen kwamen de jongens mooi op een rijtje volgens de grootte voor hem staan en staken hem zes kleine, dankbare handen toe, die bijna allemaal tegelijk in die ééne groote van hem konden. „De leege potten en zakken brengen we wel terug! En.... en.... u bent heel hartelijk bedankt, baas!"

,,'t Is goed, hoor, 't is goed.... zorg, dat er niets kapot gaat, als je door de straten hobbelt... nou... wel thuis... hoor jongens!" En toen ze met hun wagens al ver weg

waren en achter de hazelstruiken verdwenen, toen bromde hij nog door zijn tanden:

„Drommelsche jongens!"

Het was al schemerdonker, toen een exprestrein van de nieuwe Vincentiusvereeniging naar het boschwachtershuisje reed. Voor de lage vensters van de schamele woning waren de gordijnen al dichtgeschoven en in de kamer klonk een veelstemmig zoemen en zingen: „Lief Kerst-

Heel zacht gingen de jongens de keuken in.

Sluiten