Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kindje, kom bij ons binnen — wil toch alle arme kindertjes minnen!" Toen baden de kleine weesjes het eene Onze Vader na het andere in hun armoedig vertrek.

Zacht, heel zacht gingen de jongens de keuken in, zwaar beladen als het echte Kerstkind: brood, boter, meel, honing, aardappelen.... de heele keukentafel vol. Toen legden zij er een briefje boven op: „Voor de zorgzame Bethli en de hongerige kleintjes! De Vincentiusjongens van Ergenshuizen."

Ze konden ontsnappen zonder dat er een venster of een deur openging in de kamer van het schemerdonkere huisje. In hun hart voelden de jongens een ontembare vreugde, zooals ze nog nooit tevoren in hun leven hadden gekend.

Een tweede driespan hobbelde over de ronde keien van het Kerkstraatje naar de oeroude hut van het waschvrouwtje. De oude juffer was nog bezig met het rozenhoedje, maar de deur was open zooals altijd, omdat er geen slot meer op zat. In de zwarte, sombere heksenkeuken legden de jongens weer een kleine keukentafel vol. Ze moesten nu zorgen voor zachte, goed bijtbare eetwaren, want het waschvrouwtje had maar drie tanden meer.

En toen het al donker was, vertrok de derde karavaan nog naar den anderen kant van het dorp, naar het huisje van den schilder. Daar konden ze hun gaven niet in het geheim afleveren, want de moeder stond juist in de keuken voor de kachel en roerde in een pan, waarin een mager, dun soepje zat. Bedeesd klopten de jongens tegen het kleine venster van de keuken en ze hadden bijna medelijden met de arme bleeke vrouw, toen ze zoo schrok

Sluiten