Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft, God zij hem genadig, maar met hem zou ik niet graag de eeuwigheid in gaan...."

Dat werkte Trotzli werkelijk op zijn zenuwen. Ook de goede meneer pastoor, Chistophorus Silberhaar, had heel wat zorgen om dat dorpsgekiets, en 's Zondags na Allerzielen zei hij in de preek een aardig versje, waar de jongens veel plezier, maar de „Dagbladen" veel ergernis van hadden:

„Als men een slot kon maken op ied'ren leugenmond,

Dan was de slotenmakerij het edelst vak op 't wereldrond."

Toen hield meneer pastoor een daverende preek over de rampzaligheid van de babbelzucht, de kwaadsprekerij en eerrooverij. En het ergste was, dat men zelfs de dooden in het graf niet met rust liet.

„Als alle geloovige zielen, die men nog op aarde met allerlei kwade praatjes vervolgt, eens uit het graf konden opstijgen, dan zou het op het kerkhof een drukke beweging worden."

Dat had meneer pastoor gezegd en sindsdien durfden vele menschen 's avonds bijna niet meer langs het kerkhof te gaan, uit vrees, dat er een doode uit het graf zou kruipen. Alleen de drie „redactrices" van het „Dagblad" bleven iederen avond na het rozenhoedje nog een half uur bij den kerkhofmuur staan....

Het was op een Vrijdagavond, tegen het einde van November. De drie kletswijven staken de koppen bijeen. Als uit een schoorsteen zoo steeg de heete adem van de drie eindeloos ratelende monden in den vochtigen herfst-

Sluiten