Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nevel, en aan de donzige baard- en snorhaartjes van de rimpelige babbeltantes hingen heele vlokjes van nevel, nacht en leugen.

Plotseling slaakte Liesbeth Ratel een gil en viel bijna flauw in de armen van haar vriendinnen. „Jasses, een geest!" riepen Klets-Betje en Trien van den Bakker als uit één mond en zij sloegen een groot kruis over hun ontsteld gezicht. Waarachtig, op het graf van den ouden Hans Jochem spookte een hel¬

dere, geelachtige schijn, en de drie verstarde zoutzuilen meenden, dat hij steeds grooter werd en naar hen toekwam.... Ze wilden om hulp schreeuwen, maar konden de klapperende tanden niet van elkaar krijgen. Nu steeg ook uit het graf van den armen man uit het boschwachtershuisje een geest op; en meer naar achteren, waar Heintje Snaps lag, bewoog een derde licht; toen een bii zieke Katrien, bij Roosje

van den koster en bij Toni Halder, die kortgeleden zoo jong gestorven was. Ook in den stikdonkeren kerktoren kwam leven. Door de zwarte galmgaten klonk een heesche, onheilspellende schreeuw, langgerekt, in den duisteren avond: „Oeoeoeoeh!"

....Op het graf spookte een helder licht.

Sluiten