Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bet je, Trien en Liesbeth beefden als ongehoorzame kinderen voor den boeman en ze zaten in duizend angsten, dat een geloovige ziel uit het vagevuur hen bij de haren zou grijpen en naar den vuurpoel zou sleepen.

Trien van den Bakker had nog den meesten moed; ze rukte zich los en rende naar de pastorie. Daar trok ze, alsof ze in den hoogsten nood verkeerde, aan de bel en

kon nauwelijks wachten, tot de zware deur openging. De twee anderen kwamen haar achterna gestrompeld en sidderend als espenbladeren stonden de drie heldhaftige jonkvrouwen voor den verbaasden pastoor.

„Om 's hemels wil, meneer pastoor, kom direct met wijwater en kaarsen naar het kerkhof, want het

spookt er!" M-m-m-martien van het boschwachtershuisje en Jochem en-en-en zieke Katrien zijn uit het graf gekomen!. ... Neen, zoo iets heb ik nog nooit meegemaakt! Meneer pastoor, daar zullen we nog ongelukken van beleven, want grootmoeder zaliger heeft altijd gezegd, dat de geloovige zielen ongeluk voorspellen!"

„Zoo, zoo!" zei meneer pastoor peinzend en langzaam. Hij begreep nog niet goed, wat er met de geesten gaande was, maar één ding wist hij:.... dat ze de goeien te pakken hadden.

....Sidderend stonucn uc drie jonkvrouwen voor den pastoor.

Sluiten