Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik heb het jullie in mijn laatste preek wel gezegd. Wie zijn schuld is het, dat de arme dooden nog geen rust hebben in hun graf? Niet de geloovige zielen voorspellen het ongeluk, maar kletstantes, zooals jullie, die brengen veel ongeluk over de menschen. Als jullie over de menschen kletsen, dan blijft er niets goeds meer van over en ondertusschen zitten jullie zelf vol nijd, afgunst en huichelarij. Adderengebroed heeft Onze Lieve Heer zulk soort menschen genoemd."

De drie juffers stonden voor den priester, alsof ze geen tien meer konden tellen; ze hadden eens goed op hun tabberd gekregen. Meneer pastoor ging langzaam naar zijn bidstoel, haalde stola en brevier, ging toen weer naar het radelooze klaverblad en sprak: „Zoo, gaan jullie nou maar in de wachtkamer op de knieën zitten en bidt daar een rozenkrans voor de geloovige zielen, maar beter dan in de kerk, waar jullie bij ieder tientje nieuwe zonden en

gebreken van een armen medemensch verzint Onder-

tusschen zal ik de geplaagde zielen op het kerkhof wel tot bedaren brengen."

Toen pastoor Silberhaar over het kerkhof ging, was er geen spoor meer van de geesten te bekennen. Alleen uit den klokketoren klonk nog een langgerekt „Oeoeoeoeh.... oeoeoeoeh" door de avondstilte. De pastoor bad het Libera, sprenkelde wijwater over de eenzame graven en keerde toen naar huis terug.

Tien meter voor de pastorie bleef hij echter opeens vol schrik staan. Waarachtig, op den eersten hekpaal van zijn tuin flakkerde ook zoo'n spookachtig licht. De pastoor stond stil en riep den geest aan: „Wie ben jij?"

Sluiten